“Ik krijg er pijn van in mijn buik” reageert een corporatiebestuurder. Die reactie is begrijpelijk wanneer blijkt dat duizenden mensen een corporatiewoning huren terwijl ze óók (mede-)eigenaar zijn van een koophuis. Het schuurt aan het rechtvaardigheidsgevoel: sociale huur is bedoeld voor mensen die niet anders kunnen, dus waarom houdt iemand met bezit een schaarse woning bezet?
Toch is de verleiding gevaarlijk om dit vraagstuk neer te zetten als dé knop waaraan we moeten draaien. Want zelfs als elke ‘foute’ situatie morgen zou worden opgelost, blijft de kern overeind: een woningmarkt waarin het tekort zo groot is dat elke maatregel vooral herverdeelt wie waar mag staan in de rij.
Auteur: Dimitry Grootenboer
Schrijnend én onacceptabel
Er zijn gevallen die ronduit niet uit te leggen zijn: mensen met meerdere panden die tóch in een corporatiewoning blijven zitten, puur omdat het kan. Dat is geen “scheef”, dat is misbruik van schaarste, en dat verdient stevige controle en consequenties.
Maar hetzelfde nieuws laat óók zien dat niet elke ‘dubbele woning’ meteen een morele karikatuur is. Denk aan situaties na scheiding, een erfenis, of een korte overlap door verbouwing of oplevering: administratief ben je eigenaar, praktisch heb je nog geen leefbaar alternatief. Beleid dat alleen op bezit stuurt zonder context, kan dan precies de mensen raken die al in de knel zitten.
Waarom fixatie niet helpt
De politieke reflex is voorspelbaar: maak regels strenger, controleer harder, pak het aan. Dat is deels terecht, maar als dit het hoofddossier wordt, kijken we weg van de systeemdruk die dit gedrag überhaupt aantrekkelijk of “noodzakelijk” maakt.
In schaarste gaat elk debat onvermijdelijk over toegang: wie mag blijven, wie moet weg, wie krijgt voorrang. Dat levert morele verontwaardiging op, maar geen extra woningen. En precies daarom is dit een druppel op een gloeiende plaat: het kan de plaat iets minder onrechtvaardig laten aanvoelen, maar hij blijft gloeiend zolang er structureel te weinig passende woningen zijn.
Een aanpak die wél klopt
Een volwassen lijn is tweesporig: hard op misbruik, zacht op onmacht.
• Richt handhaving op de evidente excessen (meerdere panden, verhuurconstructies, bewust aanhouden van sociale huur als goedkope “basis”), met duidelijke sancties.
• Bouw een menselijke uitzonderingsroute voor aantoonbaar tijdelijke situaties (scheiding, erfenis, of andere schrijnende situaties die we niet op voorhand kunnen definiëren), met strakke termijnen en begeleiding naar een passende oplossing.
• En vooral: behandel dit niet als hoofdoplossing, maar als onderhoud aan de randen, terwijl het echte werk gebeurt: méér woningen, sneller bouwen, en doorstroming mogelijk maken.
De vraag is dus niet of scheefwonen met een koophuis pijnlijke situaties kent, want die zijn er. De vraag is of we in een woningcrisis onze politieke energie steken in het bestraffen van een symptoom, of in het wegnemen van de oorzaak.
Dat “echte werk” loopt gelukkig al, maar vraagt om meer focus en minder incidentpolitiek. Denk aan de Nationale en regionale prestatieafspraken tussen Rijk, gemeenten, corporaties en huurders, met bindende doelen om de bouw van sociale huur fors op te schalen en zo aantoonbaar meer betaalbare woningen toe te voegen. En aan de versnelling van woningbouwprocessen: woondeals met versnellingsafspraken, (regionale en landelijke) versnellingstafels om knelpunten in projecten te doorbreken, en het “parallel plannen” van procedures zodat projecten minder onnodig stilvallen.
Als daar de politieke schijnwerper op blijft staan; op productie, doorlooptijd en betaalbaarheid, dan krijgen rechtvaardigheid en menselijkheid weer ruimte, omdat schaarste afneemt. Tot die tijd is streng zijn op misbruik prima, maar laten we vooral streng zijn op onszelf: stop met sturen op headlines, en stuur op aantallen.
Wat is dan wel de hoofdoplossing?
Als daar de politieke schijnwerper op blijft staan; op productie, doorlooptijd en betaalbaarheid, dan krijgen rechtvaardigheid en menselijkheid weer ruimte, omdat schaarste afneemt. Tot die tijd is streng zijn op misbruik prima, maar laten we vooral streng zijn op onszelf: stop met sturen op headlines, en stuur op aantallen.
Wie écht eerlijk wil zijn over scheefwonen, moet durven kijken naar de spelregels achter de woningproductie. Zolang corporaties miljarden aan vennootschapsbelasting en renteaftrekbeperkingen afdragen, juist op het moment dat ze maximaal moeten investeren in nieuwbouw en verduurzaming, blijft elke roep om „harder optreden tegen misbruik” vooral morele compensatie in plaats van structurele oplossing. Een stelsel dat sociale verhuurders als gewone winstonderneming belast, maar wél vraagt om het onrendabele deel van de volkshuisvesting te dragen, is op termijn niet vol te houden.
De eerlijkere route is dus even saai als effectief:
- Herstel de balans in de fiscaliteit, bijvoorbeeld door corporaties (deels) uit de vennootschapsbelasting en de strengste renteaftrekregels te halen, zolang zij aantoonbaar investeren in sociale en betaalbare woningen.
- Veranker in wet- en regelgeving dat iedere euro die daardoor vrijkomt, rechtstreeks landt in extra bouw, versneld onderhoud en verduurzaming, niet in hogere marges.
- Koppel prestatieafspraken en toezicht scherper aan deze investeringsopgave, zodat politieke aandacht verschuift van incidenten aan de voordeur naar aantallen én kwaliteit aan de achterkant.
Dan wordt „hard op misbruik, zacht op onmacht” geen defensieve houding in schaarste, maar een logisch bijproduct van een systeem dat weer genoeg woningen oplevert. Pas als we bereid zijn om aan die grote knoppen te draaien wordt scheefwonen echt een randverschijnsel, in plaats van een dankbaar onderwerp voor verontwaardiging.